Binnen de onderwijsregio’s Utrecht Stad en Midden-Nederland hebben schoolbesturen, lerarenopleidingen gezamenlijk afspraken gemaakt over een eenduidige stagevergoeding voor studenten in het primair onderwijs. Daarmee zetten de regio’s een volgende stap in het versterken van de samenwerking rond het opleiden van toekomstige leraren.
In de cao po 2025-2027 is vastgelegd dat alle schoolbesturen uiterlijk per 1 augustus 2026 een stagevergoeding invoeren voor mbo-, hbo- en wo-studenten die stage lopen binnen het primair onderwijs. Doel hiervan is het vergroten van de aantrekkelijkheid van het beroep en het creëren van meer gelijkwaardigheid voor stagiairs. Hoewel er nog geen structurele bekostiging door OCW is ingericht, geldt deze verplichting voor alle schoolorganisaties.
Omdat er binnen de cao-afspraken ruimte is om als individueel schoolbestuur zelf een keuze te maken in het bedrag dat studenten als stagevergoeding zullen ontvangen, zijn er op onderwijsregio-niveau afspraken gemaakt over de hoogte hiervan.
Eén lijn voor de hele brede regio Midden-Nederland en Utrecht Stad
Door dit als twee onderwijsregio’s regionaal samen op te pakken, ontstaat één gezamenlijke aanpak voor de stagevergoeding in beide onderwijsregio’s. De afspraken zijn gemaakt in nauwe samenwerking met de partnerschappen van de HU, UU en de Marnix Academie. Ook in de regio Rivierenland wordt aangesloten bij deze lijn, zodat ook deze studenten met dezelfde uitgangspunten te maken krijgen.
Deze gezamenlijke benadering onderstreept waar de onderwijsregio’s voor staan: vraagstukken rond opleiden en personeelsontwikkeling niet afzonderlijk oplossen, maar in samenhang en in samenwerking.
Duidelijkheid voor studenten, rust voor scholen
Met één gezamenlijke aanpak weten studenten beter waar zij aan toe zijn, ongeacht waar zij stagelopen. Tegelijk helpt het scholen om de focus te houden op waar het in de praktijk om draait: goede begeleiding, professionele ontwikkeling en een sterke leeromgeving.
Door als onderwijsregio’s samen afspraken te maken, wordt bovendien voorkomen dat verschillen tussen scholen/schoolbesturen een rol gaan spelen in de keuzes van studenten.
Aansluiting bij landelijke afspraken
De kaders en uitgangspunten voor stages en stagevergoedingen zijn vastgelegd in artikel 7.9 van de cao primair onderwijs. Deze cao breidt de stagevergoeding uit naar een bredere groep studenten, waaronder tweedejaars en mbo-studenten.
De huidige vergoedingen voor derde- en vierdejaars studenten lagen in veel gevallen boven de minimumvariant uit de cao. Met de uitbreiding naar meer studenten ontstaat daarmee een nieuwe situatie, waarin keuzes nodig zijn over de hoogte en opbouw van de vergoeding.
Een gezamenlijke afweging in de regio
Binnen de onderwijsregio’s Utrecht Stad en Midden-Nederland is gezamenlijk gesproken over de verschillende varianten uit de cao. Een keuze voor de maximumvariant zou leiden tot fors hogere kosten voor schoolbesturen, die niet gedekt zijn via de rijksbekostiging. Tegelijk zou een keuze voor de minimumvariant betekenen dat een deel van de studenten erop achteruitgaat ten opzichte van de bestaande situatie.
Er is daarom gekozen voor een middenvariant: een vergoeding gebaseerd op het gemiddelde van de minimum- en maximumvariant uit de cao. Deze keuze zorgt ervoor dat studenten die al een vergoeding ontvangen niet achteruitgaan, terwijl de regeling werkbaar blijft voor schoolbesturen. Tegelijk onderstreept deze keuze het belang dat de twee onderwijsregio’s hechten aan het opleiden en begeleiden van toekomstige leraren.
Stagevergoedingen per schooljaar 2026–2027
Voor het schooljaar 2026–2027 gelden de volgende stagevergoedingen:
- 1e jaars student – geen vergoeding
- 2e jaars student – € 75 per maand
- 3e jaars student – € 187,50 per maand
- 4e jaars student – € 300 per maand
Deze bedragen zijn op basis van 2 dagen per week (zie cao). De vergoeding wordt naar rato toegekend bij meer of minder stagedagen.
Invoering per 1 augustus 2026
Het voorgenomen besluit is dat alle schoolbesturen binnen de onderwijsregio’s Utrecht Stad en Midden-Nederland deze regeling invoeren per 1 augustus 2026. Dit sluit aan bij de start van het schooljaar en biedt ruimte om de regeling zorgvuldig te implementeren, waaronder instemming van de P(G)MR’en, inrichting van de administratie en communicatie richting betrokkenen.